KNAW

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De bijzondere demografie van Israël

29 november 2019

De bevolkingsontwikkeling van Israël is en blijft een bijzonder fenomeen. Is het de moeizame positie als klein en bijzonder land in het Midden-Oosten die maakt dat de twee belangrijkste etnische groepen - Joden en Arabieren - hun bestaan bestendigen door veel kinderen te krijgen of is hier uitsluitend sprake van de invloed van de joodse godsdienst?
Foto: it is Elisa/Fickr

JONA SCHELLEKENS

Israël is een welvarend land. Het demografische profiel van Israël is echter niet helemaal wat men zou verwachten van zo’n land. In Israël is de vruchtbaarheid voor een ontwikkeld land namelijk uitzonderlijk hoog. Een vraag die vaak gesteld wordt is in hoeverre dit profiel te maken heeft met de bijzondere positie van Israël in het Midden-Oosten of dat hier sprake is van de invloed van de joodse godsdienst? Deze vragen staan centraal in de bespiegeling over het demografische profiel van Israël en de verschillende pogingen om dit bijzondere profiel te verklaren. Dat profiel is vooral bijzonder door de etnische samenstelling van Israël en de verschillende godsdiensten die het beeld bepalen. Volgens de officiële statistieken wonen er in Israël twee etnische groepen: Joden en Arabieren. Voor buitenstaanders lijken de Joden in Israël een homogene groep. De alledaagse taal van de Joden is modern Hebreeuws. Personen uit de hele wereld met minstens één Joodse grootouder hebben recht op het Israëlisch staatsburgerschap. Maar de staat erkent niet al deze personen als Joden. Dit treft vooral immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie. Daaronder bevinden zich velen, waarvan de moeder niet Joods is volgens de joodse godsdienstwetten. In de officiële statistieken worden deze personen als zonder godsdienst geclassificeerd en vaak samengevoegd met joden onder de rubriek “Joden en anderen”. In dit artikel wordt een onderscheid gemaakt tussen Joden als een etnische groep (met een hoofdletter) en joden als een geloofsgemeenschap (en derhalve met een kleine letter). Israëlische Arabieren kennen ook diversiteit, al was het maar omdat zij verschillende Palestijns- Arabische dialecten spreken. De meeste Arabieren zijn moslims en de rest zijn christenen en druzen. Er zijn ook niet-Arabische christenen in Israël, vooral uit de voormalige Sovjet-Unie, maar zij vormen een kleine groep. Net zoals personen zonder godsdienst worden deze christenen in de officiële statistieken vaak samengevoegd met joden onder de rubriek “Joden en anderen”.

Korte demografische terugblik

De staat Israël is ontstaan als een toevluchtsoord voor Joden in een wereld die in de greep raakte van het nationalisme, waar vaak geen plaats meer was voor een Joodse minderheid. De immigratie van Joden naar Palestina schiep echter spanningen met de autochtone Palestijnse bevolking. Die spanningen tijdens het Britse mandaat leidden ertoe dat bij de stichting van de staat Israël in 1948 de meerderheid van de Arabische bevolking vluchtte of werd verdreven. Na de oorlog werd hen niet toegestaan om naar Israël terug te keren. Hun plaats werd ingenomen door Joodse vluchtelingen uit Arabische landen en door Joden die de oorlog in Europa overleefd hadden en die niet welkom waren in hun vaderland, vooral in Oost-Europa, of zich daar niet meer thuis voelden, zoals in Nederland. Joden uit Arabische landen hadden een relatief hoge vruchtbaarheid, die spoedig na hun immigratie begon te dalen. Daarentegen steeg de vruchtbaarheid van de moslims in Israël tot in de jaren zestig (zie figuur 1) en pas in de jaren zeventig begon hun vruchtbaarheid te dalen. Op dit moment zijn er geen grote verschillen meer in de vruchtbaarheid tussen Joden en Arabieren. De vruchtbaarheid is echter in vergelijking met andere ontwikkelde landen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) relatief hoog waardoor de bevolking van Israël sneller groeit ten opzichte van deze ontwikkelde landen. De immigratiegolven uit het verleden waren uitzonderlijk en de verwachting is dat immigratie in de toekomst veel minder dan voorheen zal bijdragen aan de bevolkingsgroei. De laatste grote immigratiegolf was in de jaren negentig, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Deze immigratiegolf bestond voornamelijk uit niet-religieuze joden.

Figuur 1. Totale vruchtbaarheidscijfer in Israël per religie, 1955-2017


Borging van een Joodse meerderheid

In de jaren zestig was het gemiddeld kindertal – het zogenoemde totale vruchtbaarheidscijfer – van moslims in Israël een van de hoogste in de hele wereld: meer dan negen kinderen per vrouw! Waarom de vruchtbaarheid zo hoog was is niet geheel duidelijk, maar hoge vruchtbaarheidsnormen (grote gezinnen waren de norm) en weinig gebruik van betrouwbare anticonceptie speelden een rol. Ook veranderde gewoontes en opvattingen over borstvoeding hebben meegespeeld. Het geven van borstvoeding kan er namelijk voor zorgen dat de eerste menstruatie na de bevalling langer uitblijft. Langere intervallen tussen bevallingen uiten zich dan in een lager kindertal. Het vervangen van de borstvoeding door flesvoeding onder de Arabische bevolking zonder het kindertal te beperken leidde tot kortere intervallen tussen de bevallingen en als gevolg tot een erg hoge vruchtbaarheid. Deze kortere intervallen leidden tot een stijging van meer dan twee kinderen in de vruchtbaarheid. De hoge vruchtbaarheid van de moslims baarde Joode politici grote zorgen. Zij vreesden dat de bevolkingsgroei van de Israëlische Arabieren de Joodse meerderheid in gevaar zou brengen. In 1975 besloot het Israëlische parlement, de Knesset, daarom met behulp van een kinderbijslag de vruchtbaarheid onder de Joden aan te moedigen en om kinderrijke families te ondersteunen. Natuurlijk kregen Arabische families die kinderbijslag ook, maar deze bijdrage was veel lager dan die Joodse families ontvingen. De kinderbijslag werd namelijk niet expliciet aan etniciteit gekoppeld, maar aan het vervullen van de dienstplicht. Families, waarvan een lid in militaire dienst was geweest, konden rekenen op een hogere kinderbijslag. De meeste Arabieren waren en zijn niet dienstplichtig, en liepen zo de hogere kinderbijslag mis, tenzij zich vrijwillig aanmeldden voor militaire dienst.

Demografen waarschuwden indertijd dat er geen wetenschappelijk bewijs voor is dat de kinderbijslag een effectief middel is om de vruchtbaarheid aan te moedigen. Bovendien begon in de jaren zeventig de vruchtbaarheid van de moslims te dalen, hetgeen het aanmoedigen van de Joodse vruchtbaarheid een beetje overbodig maakte. Het geloof in de werking van financiële prikkels ging zelfs zo ver dat in 1983 de kinderbijslag zo werd aangepast dat een familie op een nog hogere (50%) bijdrage kon rekenen als men vier of meer kinderen kreeg. Later demografisch onderzoek heeft uitgewezen dat er hoegenaamd geen invloed van de kinderbijslag uitgaat op de Joodse vruchtbaarheid ook niet voor gezinnen met vier of meer kinderen. Pas in 1997 werd de kinderbijslag voor de families van niet-dienstplichtigen gelijkgesteld met die voor families van dienstplichtigen.

Verklaringen voor de relatief hoge vruchtbaarheid

Vandaag de dag is de vruchtbaarheid in Israël nog steeds erg hoog: gemiddeld ongeveer drie kinderen per vrouw. Als dit niet door de kinderbijslag komt, hoe kan men deze hoge vruchtbaarheid dan verklaren? Volgens één theorie is de hoge vruchtbaarheid een gevolg van de bijzondere positie van Israël in het Midden-Oosten en van het conflict met de Palestijnen. De relatief hoge vruchtbaarheid zou een reactie zijn op het zich bedreigd voelen als een minderheid in het Midden- Oosten. Volgens een andere theorie, die de voorkeur heeft van de meeste demografen, is het relatief hoge percentage religieuze joden de voornaamste verklaring.

In de officiële statistieken van Israël wordt er helaas geen onderscheid gemaakt tussen religieuze en niet-religieuze joden. Toch kan men hier dankzij koppeling van databestanden wel achter komen omdat in een jaarlijkse steekproef onder de Israëlische bevolking een vraag over godsdienstigheid is opgenomen. Hierdoor is het mogelijk de vruchtbaarheid van religieuze joden te schatten. En uit deze analyse blijkt dat het gemiddeld kindertal van ultraorthodoxe joden tegenwoordig zes tot zeven kinderen is. Modern-orthodoxe joden hebben rond de vier kinderen, terwijl niet-religieuze joden gemiddeld twee kinderen hebben. De verschillen tussen religieuze en niet-religieuze moslims zijn overigens veel kleiner, minder dan een kind, tenminste in Israël.

Orthodoxe joden hebben dus een veel hogere vruchtbaarheid en dit verklaart wellicht ten dele de hoge vruchtbaarheid van Joden in Israël. Immers, het percentage orthodoxe joden in Israël is erg hoog. Volgens cijfers van het Israëlische CBS uit 2016, is ongeveer een op de vijf joden van boven de twintig jaar orthodox of ultraorthodox. De hoge vruchtbaarheid van ultraorthodoxe joden heeft minder met de politieke situatie in het Midden-Oosten te maken dan met hun religie en geloofsgenoten die anticonceptie veroordelen en het hebben van grote gezinnen stimuleren. Wat betreft hun vruchtbaarheid lijkt het gedrag van ultraorthodoxe joden op dat van extreme baptistengemeenten zoals de ‘Old Order Amish’ en hutterieten – een protestantse geloofsgemeenschap in Noord-Amerika die veel kenmerken deelt met de amish.

De stijging in de huwelijksleeftijd

Datzelfde CBS schat dat het totale vruchtbaarheidscijfer van niet-religieuze joden rond de twee kinderen per vrouw is. Twee kinderen is nog relatief hoog vergeleken met andere westerse landen. Dit komt waarschijnlijk omdat de meeste vrouwen trouwen en niet zoals in andere westerse landen voor samenwonen kiezen. In 2016 was minder dan tien procent van de joodse vrouwen nog ongehuwd in de leeftijdsgroep van 45-49 jaar. Dit percentage ligt waarschijnlijk iets hoger voor niet-religieuze joden. Uiteraard kun je ook kinderen krijgen zonder een huwelijk, maar ook het percentage ongehuwde vrouwen met kinderen is relatief laag in Israël. In de toekomst zullen deze percentages wellicht toenemen, maar tot nog toe is de kans dat een joodse vrouw in Israël ongehuwd blijft veel kleiner dan een vrouw in West-Europa. Wel trouwen vrouwen nu op een veel hogere leeftijd dan vroeger: de gemiddelde leeftijd van Joodse bruiden bij hun eerste huwelijk bedroeg 26 jaar in 2016. In de wetenschappelijke literatuur worden vaak drie verklaringen genoemd waarom vrouwen later (en minder) trouwen. Zo zijn vrouwen tegenwoordig economisch minder afhankelijk van mannen, en kunnen zij het zich veroorloven om niet of later te trouwen. Volgens een tweede verklaring is het uitstellen vooral een reactie op de verslechterde arbeidsmarktpositie van jonge mannen. De derde verklaring betreft de opkomst van andere waarden die het huwelijk en kinderen krijgen beïnvloeden. Onder demografen staan deze invloeden centraal in de zogenoemde theorie van de tweede demografische transitie. Deze verklaring legt de nadruk op de opkomst van moderne, postmaterialistische waarden als oorzaak voor de veranderingen in huwelijk en gezin. Deze nieuwe waarden komen onder andere tot uiting in een stijging van het percentage inwoners dat ongehuwd samenwoont. Recent onderzoek wijst erop dat de laatstgenoemde verklaring het beste lijkt te passen in Israël. Het feit dat ongehuwd samenwonen nu veel vaker voorkomt in Israël, vooral onder de middenstand, past ook bij deze verklaring. Helaas is er in officiële bevolkingsonderzoeken in Israël geen vraag gesteld over ongehuwd samenwonen. Gelukkig doet Israël mee aan de European Social Survey, en de gegevens van deze steekproef laten zien dat van de mannen en vrouwen die in de jaren zeventig geboren zijn, 45 procent ooit samengewoond hebben, vergeleken met slechts vijftien procent onder degenen die in de jaren veertig geboren zijn (zie figuur 2).

Figuur 2. Het percentage Joodse mannen en vrouwen in Israël dat ooit ongehuwd samen heeft gewoond per geboortecohort

 

Bijzonder profiel

Israël heeft een bijzonder demografisch profiel. Daar is iedereen het wel over eens. Maar de verklaringen hiervoor lopen uiteen. Aan de ene kant, zijn er onderzoekers die de bijzondere politieke en militaire positie van Israël in het Midden- Oosten en de gevolgen daarvan benadrukken. Andere onderzoekers zoeken daarentegen de verklaring voor het bijzondere profiel meer in de rol van religie, en met name het hoge percentage van orthodoxe joden. Het is moeilijk aan te geven welke verklaring het best past bij de bijzondere demografische ontwikkeling van Israël. De ene verklaring hoeft de andere trouwens ook niet uit te sluiten. De meeste demografen zoeken echter de verklaring voor het bijzondere profiel in het hoge percentage van orthodoxe joden, omdat hij gebaseerd is op betere gegevens over de religiositeit.

Jona Schellekens, Hebrew University of Jerusalem, e-mail: jona@mail.huji.ac.il

 

Literatuur

Schellekens, J. (2009),
Family allowances and fertility: Socio-economic differentials. Demography, 46 (3), pp. 451-468.
Schellekens, J. en A. Atrash (2018),
Religiosity and marital fertility among Muslims in Israel. Demographic Research, 39 (34), pp. 911-926.
Schellekens, J. en Z. Eisenbach (2002),
The pre-decline rise in Israeli Moslem fertility. Economic Development and Cultural Change, 50 (3), pp. 541-555.
Schellekens, J. en D. Gliksberg (2018),
The decline in marriage in Israel, 1960-2007: Period or cohort effect? European Journal of Population, 34 (1), pp. 119-142.

Artikel



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken