KNAW

Ga direct naar de inhoud
Ga direct naar de site navigatie
Ga direct naar zoeken

De weerbarstige relatie tussen baby's en conjunctuur

26 oktober 2018

In 2017 daalde het gemiddeld kindertal in Nederland tot 1,6 kind, het laagste niveau sinds twintig jaar. Zo’n laag kindertal is verrassend in een periode van oplevend conjunctureel optimisme. Moeten we ons blijvend instellen op minder kinderen?

[Foto: Bas Bogers/Flickr]

JOOP DE BEER & JAN LATTEN

De Nederlandse bevolking groeit hard. Zowel in 2016 als in 2017 nam het aantal inwoners met meer dan honderdduizend toe. Dit is de hoogste groei sinds het begin van de eeuw. In 2016 werd een mijlpaal van 17 miljoen inwoners bereikt en in de loop van 2022 wordt de 17,5 miljoenste inwoner verwacht. Maar dat komt niet door de baby’s, integendeel, in 2016 en 2017 was de natuurlijke aanwas (geboorte minus sterfte) nog maar goed voor een vijfde van de totale groei van het aantal inwoners. Migratie is de grootste groeimotor. De actuele demografische groeispurt valt samen met een economische opleving. Maar de economische opleving en de ontwikkeling van het aantal geboorten lopen niet meer parallel. Dat is verrassend, want in de afgelopen dertig jaar kon een oplevend consumentenvertrouwen steeds worden gezien als voorbode van stijgende aantallen geboorten, zo’n twee tot drie jaar na een conjunctuuromslag. Na de laatste crisis is het anders geworden. Sinds 2014 is het vertrouwen in de economie weer gestegen, zoals blijkt uit de stijging van de zogenaamde index van koopbereidheid. Maar dat zien we niet terug in de ontwikkeling van het kindertal. Hoewel de werkloosheid daalt, het aantal vacatures groeit, het geld weer rolt, de huizenprijzen stijgen, en de stijging van het consumentenvertrouwen blijk geeft van een optimistische kijk op de toekomst, valt dat alles niet samen met een grotere neiging aan kinderen te beginnen. Integendeel: het aantal geboorten bereikte het laagste aantal sinds 1919. En het gemiddelde kindertal per vrouw (waarvoor demografen de afkorting TFR gebruiken, die staat voor Total Fertility Rate) daalde tot 1,6 kind per vrouw, het laagste niveau van de afgelopen twintig jaar. Daarmee ligt het gemiddeld kindertal ruim onder het zogenoemde vervangingsniveau van twee kinderen per vrouw. Hoe lager het gemiddelde kindertal hoe sterker de ontgroening. De afgelopen vijf jaar zijn er zo’n 15 procent minder kinderen geboren dan in de jaren rond de eeuwwisseling. Dit betekent dat de instroom van jongeren op de arbeidsmarkt over zo’n vijftien tot twintig jaar fors zal dalen. Dat zal duidelijk maatschappelijke gevolgen hebben, denk bijvoorbeeld aan de vraag of er in de toekomst wel genoeg werkenden zijn ten opzichte van het aantal gepensioneerden Maar waarom daalt het kindertal dan nu in Nederland terwijl het economisch alsmaar beter gaat?

Onverwachte daling kindertal

Het gemiddeld kindertal schommelt sinds de jaren tachtig mee met economische conjunctuurgolven. De conjunctuurfluctuaties kunnen zichtbaar worden gemaakt door te kijken naar de index van koopbereidheid. Deze index geeft aan of consumenten het een gunstige tijd vinden om grote aankopen te doen. Aangezien de beslissing over het krijgen van een kind grote financiële gevolgen heeft, valt te verwachten dat de index van koopbereidheid ook aangeeft of mensen het een gunstige tijd vinden om een kind te krijgen. In de jaren tachtig fluctueerden de TFR en de koopbereidheid gelijktijdig (figuur 1). Dat is op het eerste gezicht verrassend. Men zou immers verwachten dat de ontwikkeling van het aantal geboorten minstens negen maanden achterloopt op die van de koopbereidheid. Maar begin jaren tachtig reageerde die index zelf enigszins vertraagd op de economische crisis. De index van koopbereidheid bereikte in 1983 een dieptepunt, terwijl de economische groei al in 1982 een dieptepunt had bereikt. In 1983 herstelde de economische groei alweer, maar de koopbereidheid reageerde daar toen met dezelfde vertraging op als de TFR.

Figuur 1 laat zien dat vanaf de jaren negentig fluctuaties in het kindertal een steeds grotere vertraging krijgen ten opzichte van de koopbereidheid. Zo begon de TFR halverwege de jaren negentig pas twee jaar na de opleving van de economie te stijgen en de daling in de TFR vanaf 2011 begon pas drie jaar na de achteruitgang van het vertrouwen in 2008. Om de toenemende vertraging beter zichtbaar te maken vergelijken we in figuur 2 de ontwikkeling van de TFR met die in de koopbereidheid in eerdere jaren, waarbij we er rekening mee houden dat de vertraging in de loop van de tijd steeds groter wordt. Zo laat figuur 2 zien dat de daling van de TFR in de eerste helft van de jaren negentig gelijk oploopt met de daling van de koopbereidheid een jaar eerder, terwijl de stijging van de TFR in de tweede helft van de jaren negentig parallel loopt met de opleving van de koopbereidheid twee jaar daarvoor. Begin van deze eeuw zijn het niveau van de TFR en de koopbereidheid van elkaar verwijderd. De koopbereidheid kwam in 2003 in een sterke daling terecht en bleef daarna structureel op een laag niveau. Die daling was veel sterker dan je op grond van de conjunctuur zou verwachten. Zo was de daling van de koopbereidheid in 2003 veel groter dan de teruggang van de economische groei of de stijging van de werkloosheid. Het lijkt erop dat vanaf 2003 het economisch vertrouwen in Nederland structureel lager is dan daarvoor en dat Nederlanders blijvend pessimistischer zijn geworden. Deze sterke structurele daling van het vertrouwen is echter niet terug te zien in de ontwikkeling van het kindertal. We signaleren dat de ontwikkeling van de TFR en de koopbereidheid daarna parallel zijn blijven verlopen, alleen op een ander niveau.

Figuur 1. Het gemiddelde kindertal per vrouw (TFR) en index van koopbereidheid, Nederland, 1980-2017

 

Figuur 2. Het gemiddelde kindertal per vrouw (TFR) en index van koopbereidheid met oplopende vertraging

 

Ook komende jaren een lager kindertal?

Hoe gaat het nu verder met het kindertal in Nederland? Kunnen we een geboortegolf(je) verwachten en zal er alsnog een reactie komen op het stijgend optimisme? Als we met de trendbreuk van de koopbereidheid in 2003 rekening houden, kunnen we de fluctuaties in de TFR vanaf 1980 statistisch goed verklaren door ervan uit te gaan dat de fluctuaties van de TFR in de jaren 1980-1987 gelijk oplopen met die in de index van koopbereidheid, in de periode 1988-1994 een vertraging vertonen van een jaar, in de jaren 1995-2008 van twee jaar en in de jaren 2009-2016 van drie jaar (zie figuur 3). Als we voor 2017 veronderstellen dat de koopbereidheid met een vertraging van vier jaar doorwerkt in de TFR, verklaart dit eenvoudige model 89 procent van de bewegingen van de TFR in de jaren 1980-2017. Als de aanname klopt dat de TFR inmiddels met een vertraging van vier jaar reageert op fluctuaties in de koopbereidheid, zal de TFR de komende jaren fors toenemen. Een mogelijke verklaring voor het trage herstel van de TFR zou kunnen zijn dat de laatste economische crisis erg lang duurde en dat men daardoor langer de kat uit de boom kijkt voordat men besluit een kind te krijgen. Maar of het echt om uitstel gaat en de stijging van de TFR zich de komende jaren werkelijk zal voordoen is onzeker. In de eerste plaats bestaat de kans dat het alweer minder goed zal gaan met de economie voordat de TFR zich in 2021 volledig heeft hersteld. En in de tweede plaats is er mogelijk sprake van een structureel grotere onzekerheid onder jonge generaties doordat het steeds moeilijker wordt een vaste baan te vinden. Dit zou tot een blijvend lagere vruchtbaarheid kunnen leiden.

Figuur 3. Schatting van het gemiddelde kindertal (TFR) op basis van de index van koopbereidheid rekening houdend met een vertraging oplopend van 0 jaar begin jaren tachtig tot 4 jaar vanaf 2017

 

Meer onzekerheid

Het zijn vooral jonge mensen die worden geconfronteerd met andere economische condities. Anno 2014 had nog maar de helft van de twintigers op 28-jarige leeftijd een vaste baan. Tien jaar eerder had al de helft van de 24-jarigen een vaste baan. De Nederlandsche Bank constateerde dat de flexibilisering van de arbeidsmarkt heeft geleid tot een neerwaartse druk op de lonen, ook voor vaste werknemers. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) signaleerde dat laagopgeleide alleenstaande mannen met een tijdelijke baan minder kans hebben op een partner, toch ook een vereiste voor gezinsvorming. Vrouwen zonder vast contract blijken minder vaak binnen een jaar voor het eerst moeder te zijn geworden. Uit CBS-onderzoek blijkt bovendien dat zowel vrouwen als mannen denken dat de komst van het eerste kind de arbeidscarrière van de moeder kan schaden. Als relaties worden verbroken dan keren twintigers vaker dan voorheen terug naar hun ouderlijk huis omdat ze geen eigen huisvesting kunnen betalen. De leeftijd van huizenkopers is opgelopen en er zijn lange wachtlijsten voor sociale huurwoningen. Al met al geven deze omstandigheden ondanks de oplopende conjunctuur voor twintigers niet een situatie van toegenomen bestaanszekerheid. Integendeel, de indruk is veeleer dat twintigers meer dan in de vorige eeuw te maken hebben met tijdelijke banen en bijbehorende inkomenszekerheid. De door velen verwachte robotiseringsgolf maakt de onzekerheid voor de komende jaren alleen maar groter, zeker voor laag- en middelbaar geschoolden. In onderzoek van de ING komt naar voren dat consumenten denken dat ruim een op de drie banen door robotisering verloren zal gaan, een kwart denkt dat het de eigen baan zal betreffen.

De onzekere toekomst voor jonge generaties roept de vraag op of het huidige lage kindertal slechts wijst op uitstel van geboorten of dat er misschien sprake zal zijn van afstel. Het CBS gaat er in de recente bevolkingsprognose vanuit dat de TFR zich de komende jaren slechts langzaam zal herstellen, maar voor de langere termijn verwacht het CBS wel dat de TFR stijgt naar het niveau van vóór de laatste crisis. Vrouwen die nu midden veertig zijn, hebben gemiddeld 1,75 kinderen gekregen. Het CBS verwacht dat jongere generaties op datzelfde kindertal uit zullen komen. Maar dat zal alleen gebeuren als het geboortecijfer de komende jaren inderdaad gaat stijgen. Of die stijging zich werkelijk zal voordoen is onzeker. Het is niet uit te sluiten dat met aanhoudende onzekerheden op de arbeidsmarkt, maar ook op de woningmarkt, het kindertal op de langere termijn relatief laag zal blijven. Ook voor jonge generaties geldt gemiddeld genomen een kindertal van twee als ideaal, maar de kans om dit ideaal te realiseren is er niet altijd. Uiteraard moet bij dit soort lange termijn bespiegelingen bedacht worden dat kindertal geen puur economische beslissing is. Breekbaarheid van relaties, een toename van onvruchtbaarheid als het kinderen krijgen tot hogere leeftijd wordt uitgesteld, maar ook nieuwe fertiliteitstechnieken kunnen het gemiddeld kindertal mede beïnvloeden. En vergeet ook beleidsbeslissingen niet die bedoeld of onbedoeld de gezinsvorming raken. Een ding is echter zeker: voor zover de twintigers die nu geen kinderen hebben gekregen later alsnog moeder worden, zullen straks steeds meer baby’s een ‘oudere’ moeder van 30-plus of zelfs 40-plus hebben.

Joop de Beer, NIDI, e-mail: beer@nidi.nl
Jan Latten, CBS en Universiteit van Amsterdam, email: jj.latten@cbs.nl

 

Literatuur

CBS (2015),
Het dynamische leven van twintigers. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.
CBS (2017),
Kwaliteit van leven in Nederland. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek,
CBS (2017),
Vrouwen met flexbaan minder vaak moeder. CBS Webartikel, 27 september 2017.
ING Economisch Bureau (2016),
Mens en machine in de flexbranche, juli 2016, ING: Amsterdam.
DNB (2018),
Flexibilisering arbeidsmarkt gaat gepaard met daling arbeidsinkomensquote, DNBulletin, 1 februari 2018.
Latten J. (2017),
Tweede demografische transitie nog lang niet uitgetrild. Rooilijn, 50 (5-6), pp. 431-439.

Artikel

TFR



Ga terug naar de bovenkant van deze pagina
Ga terug naar de inhoud
Ga terug naar de site navigatie
Ga terug naar zoeken